HOOFDSTUK 3 @BRK#Halt zag de drie zijn kant op komen. Hij had net een handje koffiebonen in de pot kokend water die boven het vuur hing gegooid, en daar zat hij met een stokje in te roeren. ‘Goedenavond,’ zei hij. ‘Jullie hadden een geslaagde dag, neem ik aan?’ ‘Inderdaad, ja,’ antwoordde Will. ‘Maddie is geslaagd en mag door naar het vierde jaar van de training.’ Halt richtte zijn blik op het meisje. ‘Tja, echt onverwacht kunnen we dat niet noemen,’ zei hij. ‘Ondanks die klunzige mentor waarmee je opgezadeld zit.’ Bij die laatste woorden glimlachte hij. Will besloot er geen aandacht aan te besteden. ‘Had je weer een perfecte score?’ vroeg Halt, en Maddies gezicht betrok. ‘Nee, hè,’ mompelde Will. ‘Waarom moest je daar nou weer over beginnen?’ Halts blik schoot tussen de drie heen en weer en hij trok vragend een wenkbrauw op. ‘Waren er moeilijkheden?’ ‘Ik had een onvoldoende voor ongeziene verplaatsing,’ zei Maddie, en ze voelde haar boosheid terugkeren. Nu keek Halt pas echt verbaasd. ‘Hoe kan dat nou? Ik heb je gezien, of eigenlijk heb ik je níét gezien, toen je daarop trainde. Je bent er hartstikke goed in. Bijna zo goed als Gilan.’ Hij glimlachte naar zijn voormalige leerling. ‘Nou, technisch gezien was ik wel geslaagd, want niemand heeft me gezien. Ze waren me allemaal al voorbij toen de laatste man op mijn hand ging staan.’ Ze had misschien op medeleven van de oude Jager gerekend, maar dat kwam niet. Hij barstte in een allesbehalve meelevend gelach uit. ‘Ach ja, dat soort dingen gebeuren,’ zei hij. ‘Tegen pech kun je je niet wapenen.’ Maddie haalde al adem om daarop te reageren, maar Will legde een hand op haar onderarm om haar tegen te houden. ‘Alsjeblieft, niet nóg een keer Het was niet eerlijk,’ waarschuwde hij haar. ‘Het leven is niet altijd eerlijk, dus wen er maar aan.’ Het protest van zijn leerling stierf een voortijdige dood op haar lippen. Ze mompelde iets onverstaanbaars en Will besloot dat hij maar beter kon doen alsof hij niets had gehoord. Halt was druk bezig zichzelf koffie in te schenken en keek daarna om zich heen, op zoek naar de honingpot waarvan hij wist dat die hier ook ergens moest staan. ‘Hij hangt daar, in die boom,’ zei Gilan en hij wees op een overhangende tak van de reusachtige eikenboom waar ze hun tentjes onder hadden opgezet. ‘Of had je gedacht dat we die bij het vuur zouden laten staan, zodat de mieren er wat beter bij kunnen?’ Maddie pakte de pot en gaf hem door aan Halt. Hij schepte flink wat honing in zijn mok, roerde er even in en nam een slok. Een gelukzalig ‘Aaaah!’ maakte duidelijk dat de smaak naar wens was. Terwijl Will voor Gilan en zichzelf ook koffie inschonk, bekeek Halt Maddie eens wat nauwkeuriger. Hij deed het met pretoogjes. Hij is milder geworden, besefte Gilan. Vroeger kon het zomaar gebeuren dat er een hele maand lang geen spoor van een glimlach op Halts gezicht verscheen. Het zal de invloed van Pauline wel zijn, besloot hij. ‘Weet je,’ zei Halt, terwijl hij zijn benen voor zich uit strekte en tegen een houtblok naast het vuur leunde, ‘zoiets is mij jaren geleden ook overkomen.’ ‘Tijdens je toetsen?’ wilde Maddie weten. De oude Jager schudde zijn hoofd. ‘Nee, toetsen zoals ze nu hebben waren er toen nog niet,’ antwoordde hij. ‘Crowley besloot op een gegeven ogenblik dat ik goed genoeg was en zei dat ik een Grijze Jager was.’ Zijn blik werd bij het noemen van de vroegere commandant even weemoedig. Hij miste Crowley, zijn eerste echte vriend. Maar hij was een verhaal aan het vertellen. ‘Nee, dit gebeurde toen ik een horde Temujai achter me aan had.’ ‘Die keer dat je hun hele kudde paarden had gestolen?’ vroeg Will. Halt keek hem fronsend aan. Will kon een glimlach niet onderdrukken. Halt werd er niet graag aan herinnerd dat hij ooit een kudde van twintig pony’s van de Temujai had gestolen om ze bij het paardenfokprogramma van de Jagers te betrekken. ‘Zullen we zeggen dat ik ze heb verworven?’ antwoordde Halt. ‘Ik heb er honderdvijftig zilverlingen voor achtergelaten, en dat was een stuk meer dan die paarden waard waren.’ ‘Maar je hebt de Temujai niet gevraagd of ze hun paarden eigenlijk wel wílden verkopen, hè?’ herinnerde Gilan hem. Net als Will wist hij heel goed hoe gevoelig Halt was voor opmerkingen over de manier waarop hij die paarden had ‘verworven’. ‘Dat zou ook tamelijk zinloos zijn geweest,’ legde Halt uit. ‘Ze verkochten hun paarden namelijk nooit.’ ‘En dus mogen we het toch echt wel stelen noemen,’ zei Will, maar Halt gaf zich nog niet gewonnen. ‘Stelen is dat je iets pakt zonder ervoor te betalen,’ zei hij. ‘Iets wat niet van jou is.’ ‘Of je er nou geld voor hebt achtergelaten of niet, je gaf net zelf toe dat de Temujai ze niet wilden verkopen. Dus heb je ze gestolen,’ hield Gilan vol. Hij kon een glimlach maar ternauwernood onderdrukken. Halts wenkbrauwen gingen omlaag en hij keek zijn beide vroegere leerlingen om de beurt aan. ‘Ik had liever dat jullie een beetje respect voor oudere mensen betoonden,’ zei hij. Will haalde zijn schouders op. ‘Tja, vroeger hadden we ook wel respect voor je. Maar toen we erachter kwamen dat je ooit een hele kudde paarden had gestolen veranderde ons beeld van jou nogal.’ Maddie kreeg met de witharige Jager te doen. Ze mocht Halt graag. Hij was haar altijd goedgezind geweest en ze was er onlangs achter gekomen dat hij een grote rol had gespeeld in het nieuwe beleid van de Jagers om voortaan ook meisjes op de opleiding toe te laten. ‘Je zei dat jou ooit ook zoiets was overkomen,’ schoot ze hem te hulp. ‘Is een van die Temujai op jouw hand gaan staan of zo?’ Halt knikte dankbaar naar haar, blij dat ze naar het oorspronkelijke onderwerp terugkeerde. Hij nam een slok koffie en ging verder met zijn verhaal. ‘Nee. Ik had de paarden, die ik dus had gekocht en waarvoor ik dus had betaald, verstopt in een stukje bos,’ vertelde hij met een dreigende blik richting Gilan. ‘Ik was net onderweg om wat water uit een beekje in de buurt voor ze te halen toen ik zag hoe twee Temujai hun zes geiten het water in leidden. De mannen zaten natuurlijk op paarden.’ ‘En een van die paarden ging op jou staan of zo?’ vroeg Maddie. ‘Wie van ons tweeën vertelt hier nou eigenlijk het verhaal?’ vroeg Halt en Maddie verontschuldigde zich vlug. Ze gebaarde dat hij vooral verder moest vertellen. Hij wachtte nog even, tot ze er goed van was doordrongen dat ze hem niet meer moest onderbreken, en ging toen verder. ‘Dus daar lag ik, in het hoge gras, verstopt onder mijn mantel…’ ‘Net als ik!’ riep Maddie uit. Ze zag zijn wanhopige gezichtsuitdrukking. ‘Sorry, sorry! Ga verder!’ ‘Weet je het zeker?’ vroeg Halt. Ze knikte verwoed en perste haar lippen op elkaar. ‘Dus daar lag ik op de grond, onzichtbaar voor die twee Temujai, toen een van die geitjes ineens aan mijn haren begon te knagen.’ Will en Gilan, die dit verhaal nog niet eerder hadden gehoord, barstten in lachen uit. Maddie grijnsde, maar besloot gezien het humeur van Halt dat ze maar beter een beetje vriendelijk kon reageren. ‘Je had je kap op moeten doen!’ zei Will. ‘Die had ik ook op,’ antwoordde Halt. ‘Dat stomme geitje duwde die met zijn snuit opzij en begon gewoon te knagen.’ Gilan en Will moesten nu nog harder lachen. Na een tijdje kalmeerden ze weer een beetje en zei Gilan met een uitgestreken gezicht: ‘Ik heb me al vaker afgevraagd hoe je aan dat kapsel bent gekomen. Dit verklaart een hoop.’ Onder de Jagers was algemeen bekend dat Halt zijn haar meestal met zijn sax bijwerkte, en het resultaat daarvan was niet altijd even netjes en gelijkmatig. ‘Hoe ging het verder?’ wilde Maddie graag weten. ‘Ik sprong natuurlijk overeind, om bij dat geitje vandaan te komen. De dichtstbijzijnde Temujai werd van zijn paard gegooid doordat het dier schrok en steigerde. Ik pakte de andere man bij zijn been en trok hem ook van zijn paard af. Daarna rende ik hard weg. Ik kon net wegkomen. Gelukkig stond Abelard vlakbij, en hij was sneller dan hun pony’s. De nacht daarna ben ik teruggekomen om die andere paarden op te halen.’ Hij keek Maddie strak aan. ‘Ik wil maar zeggen dat er altijd gekke dingen kunnen gebeuren. Iemand gaat op je hand staan. Een geit krijgt trek in je haar. Je moet altijd op onverwachte dingen voorbereid zijn. Dat hoort bij jezelf onzichtbaar maken. Denk daar voortaan goed aan. Laat deze ervaring een wijze les voor je zijn. Je weet nooit wat er gaat gebeuren.’ Maddie knikte gedwee. ‘Ja, Halt. Dank je wel.’ ‘Goed,’ zei Halt en hij draaide zich weer naar Will en Gilan. ‘Als jullie zijn uitgegiecheld komt misschien wel een keer de vraag bij jullie op waarom ik hier eigenlijk ben. Waarom ik helemaal van kasteel Redmont en mijn knusse open haard naar jullie toe ben komen rijden?’ Halt was dit jaar slechts af en toe bij de examens geweest. Hij had een aantal van de jonge leerlingen begeleid en ze beter leren schieten. En af en toe had hij ook wel beoordeeld hoe goed ze de verschillende technieken beheersten. Naarmate het einde van de examens naderde kwam het einde van die werkzaamheden ook dichterbij. Gilan keek hem vragend aan. ‘Ik nam aan dat je voor de afscheidsceremonie kwam.’ Halt knikte. ‘Ja, dat is ook wel zo, maar die is morgen pas. Er was bericht voor jullie van Arnaut. Het leek me het beste om dat zelf maar even te komen brengen, want in Redmont wist niemand waar het verzamelveld was.’ Voor het verzamelveld werd elk jaar een andere plek gekozen, en de precieze locatie werd geheimgehouden. Het korps Grijze Jagers had in de loop der jaren heel wat vijanden gemaakt en daartussen zaten er nogal wat die maar al te graag wilden weten waar het hele korps twee weken lang bijeen zou zijn. Halt stak zijn hand in zijn vest en haalde er een rol perkament uit, met een strik erom. Die strik was weer verzegeld met een flinke klodder was. Hij gaf de rol aan Gilan, die het zegel bekeek en het wapen van Arnaut herkende. ‘Weet jij wat erin staat?’ vroeg hij aan Halt. Van de oude Jager was bekend dat hij als geen ander geschreven berichten kon openen en daarna weer kon hersluiten zodat het eruitzag alsof die post nooit open was geweest. Hij had een heel arsenaal aan gereedschap om zegels los en weer vast te maken, zonder daar enig spoor van achter te laten. Mocht er toch een keer iets misgaan, dan had hij ook nog een hele verzameling aan namaakstempels, waarmee hij de originelen kon vervangen. Wie heel goed keek zag het verschil tussen de originelen en Halts kopieën wel, maar bij een vluchtige inspectie zou niemand iets opvallen. Halt keek beledigd. ‘Nou ja! Hij is toch verzegeld?’ Hij probeerde zo waardig mogelijk te klinken. Will grinnikte zachtjes, want hij had heel goed door dat Halt de vraag niet had beantwoord. ‘Wanneer is dat ooit een beletsel voor jou geweest?’ zei Gilan zachtjes terwijl hij het zegel verbrak en het stuk perkament uitrolde om te kunnen lezen wat erin stond. Na enkele seconden keek hij even op. ‘Je vader wenst je alle liefs,’ zei hij tegen Maddie. ‘Hij hoopt dat het goed gaat met je examens.’ Maddie glimlachte. Echt iets voor haar vader om zelfs in een officieel stuk nog een persoonlijke noot te verwerken. Arnaut en zij hadden altijd al een goede band gehad, en die was sinds ze aan haar opleiding tot Jager was begonnen alleen nog maar hechter geworden. Ze was daardoor nog verder in de wereld van haar vader doorgedrongen en het betekende dat ze nu heel veel gemeen hadden. Gilan richtte zijn blik weer op het perkament, en naarmate hij verder las betrok zijn gezicht steeds verder. ‘Slecht nieuws?’ vroeg Will, die de blik van Gilan zag. Gilan gebaarde dat Will even moest wachten tot hij het bericht helemaal gelezen had. Toen het zover was keek hij op en richtte hij zijn blik op Halt. ‘Heb je weleens van een gezelschap gehoord dat zich de Clan van de Rode Vos noemt?’ Halt tuitte zijn lippen en dacht even na. ‘Ik weet er nauwelijks iets van. Anarchisten, hè?’ Gilan schudde zijn hoofd. ‘Ze zijn wel iets meer. Er komen op kasteel Araluen al een paar maanden lang allerlei berichten over hen binnen. Deze groep verzet zich tegen de huidige wetten over de troonopvolging. Ze willen terug naar het oude, patriarchale systeem.’ In de Aralueense wet stond dat elke afstammeling, mannelijk of vrouwelijk, troonopvolger kon zijn. Mocht Duncan overlijden dan werd Cassandra koningin, met alle rechten die daarbij horen. Dat Arnaut met haar getrouwd was betekende niet dat hij koning zou worden, hij bleef gewoon haar wederhelft. En ooit zou Maddie de troon dan weer van haar moeder erven. Als het aan de Clan van de Rode Vos lag, greep men terug op de oude wet, waarin de troon alleen door een mannelijke nakomeling kon worden ingenomen. Als die wet weer werd ingevoerd, zouden de huidige regelingen helemaal in het honderd lopen. ‘Enig idee waarom ze er zo over denken?’ vroeg Will. Gilan haalde zijn schouders op. ‘Waarschijnlijk is er iemand die dit gebruikt om zelf aanspraak op de troon te kunnen maken,’ zei hij. ‘Maar wat de gedachte erachter ook is, het kan problemen opleveren voor Cassandra en Maddie, en Arnaut wil dat we er een einde aan maken.’ ‘Weet hij ook hoe we dat moeten doen?’ vroeg Will. Het viel hem op dat Halt geen enkele vraag stelde. Daaruit concludeerde hij dat die het bericht dus al had gelezen. ‘We zijn er eindelijk achter gekomen dat ze ergens vlak bij de oostkust een hoofdkwartier hebben,’ antwoordde Gilan. ‘Arnaut wil daar samen met mij en een eenheid van krijgers naartoe, om voor eens en voor altijd een einde aan die flauwekul te maken.’ Hij aarzelde en keek de andere twee Jagers even aan. ‘Maar er gaan ook geruchten dat ze nog een tweede groep hebben opgezet, aan de noordwestgrens van Redmont. Hij vraagt jullie om dat nader te onderzoeken, om te kijken wat daar de plannen zijn en om ze tegen te houden als dat nodig is.’ ‘Dat betekent dus dat je morgen naar kasteel Araluen teruggaat?’ vroeg Halt. Gilan keek hem spottend aan en hield zijn hoofd een beetje scheef. ‘Ja, dat staat hier,’ zei hij en hij tikte met zijn wijsvinger op het stuk perkament. ‘Hoe wist jij dat nou?’ Halt glimlachte. ‘O, een gokje, meer niet,’ antwoordde hij.